Als zoon van een rijke Bossche koopman, wacht Jacobus Antonius Heeren bij zijn geboorte in 1775 een onbezorgde toekomst. Maar in plaats van op het grote familiekapitaal te teren, kiest hij voor een zeer arbeidzaam leven als priester. Na de Latijnse School in Turnhout gaat hij in 1793 naar de Universiteit van Leuven, waar hij aan het Pauscollege theologie studeert. Door de Franse bezetting van België, dat officieel nog niet bestaat en onderdeel is van het Oostenrijkse keizerrijk, worden alle studenten in 1797 naar huis gestuurd. De Franse overheersers zijn uitgesproken antiklerikaal en sluiten het college. De Bossche student reist terug naar Nederland en studeert verder bij de Kruisheren in Uden. Een jaar later is hij een van de eerste leerlingen van het net opgerichte seminarie van ’s-Hertogenbosch, dat even later naar Nieuw Herlaer bij Sint-Michielsgestel verhuist. Op 16 maart 1799 wordt hij tot priester gewijd. Vier jaar later, in 1803, treedt hij aan als kapelaan van de Bossche parochie Sint Jacob, waar G.C. Molenmakers pastoor is. Deze wordt in 1810, als Nederland is ingelijfd bij Frankrijk, verbannen omdat hij weigert de door Napoleon benoemde bisschop van ’s-Hertogenbosch te erkennen. Kapelaan Heeren kan wel aanblijven, maar niet omdat hij zo met de Fransen sympathiseert. Een oom van hem zit in het stadsbestuur en die zal, zo is het vermoeden, ervoor gezorgd hebben dat tegen hem geen bevel tot verbanning wordt uitgesproken. Toch wordt hem het parochiewerk steeds moeilijker gemaakt. De Sint Jacobskerk, die in 1804 nieuw is gebouwd ter vervanging van de oude parochiekerk, wordt op last van de autoriteiten in 1812 gesloten en ingericht als pakhuis. Kapelaan Heeren moet onderduiken, maar blijft aan het werk; verkleed als molenaar bezoekt hij zijn parochianen en organiseert bij hen thuis godsdienstoefeningen. Het is heel goed denkbaar dat daar de kiem ligt voor zijn grote betrokkenheid bij de allerarmsten; hij komt bij hen over de vloer en ziet in welke omstandigheden zij moeten leven. Als de Fransen in 1814 vertrekken, gaat de kapelaan weer ‘bovengronds’ en keert ook Molenmakers terug.
Aansporen en inspireren
Gedreven door zijn zorgen om de armen en verschoppelingen, staat Jacobus Heeren in 1820 aan de basis van de oprichting van de Congregatie Dochters van Maria en Joseph. En hoewel hij in 1821 naar Oirschot wordt overgeplaatst om daar pastoor te worden, blijft hij als congregatiedirecteur ‘zijn’ zusters met brieven en bezoeken aansporen en inspireren. In 1830 keert de pastoor terug naar ’s-Hertogenbosch om meer tijd aan de congregatie te besteden. In de jaren veertig schrijft hij de Constitutiën, die in 1850 door Rome worden goedgekeurd.
Een vurig gelovige
Pastoor Heeren is een intellectueel en een man uit één stuk, hard voor anderen en vooral ook voor zichzelf; hij draagt regelmatig een boetegordel en geselt zich drie keer per week om zichzelf eraan te herinneren dat Christus voor de zonden van de wereld heeft geleden en is gestorven. De stichter van de congregatie is een vurig gelovige, die dagelijks uren aan gebed besteedt. Zijn verhouding tot de zusters is er een van een goede en bezorgde vader tot zijn kinderen. Voortdurend is hij zich ervan bewust dat hoe krachtiger en bovennatuurlijker hun leven is, hoe vruchtbaarder hun liefdewerken zullen zijn. Daarom spaart hij de zusters niet als hij ze aanspoort en vermaant. Hij kan hen, zeker onder vier ogen, dan ook geducht de waarheid zeggen. Toch eindigt hij zijn aanvuringen altijd met een vriendelijk of bemoedigend woord.
Bezit naar de congregatie
Gedurende zijn leven schenkt hij jaarlijks veel van zijn vermogen aan de congregatie. In 1850 doet hij zelfs al zijn bezittingen aan het liefdehuis over. Negen jaar later, in 1859, overlijdt pastoor Heeren. Hij is dan 84 jaar oud.